Van Belgen wordt gezegd dat ze een nuchter volk zijn. Niet in de zin van "het niet geconsumeerd hebben van alcoholische of andere genotsmiddelen", maar meer als niet al te emotioneel, beredeneerd, down to earth, om het in het goed Nederlands te zeggen. Dat wordt ook steevast als een positief punt aangehaald, tegenover die luidkeels hun gedacht zeggende Nederlanders, die chauvinistische maar wat wereldvreemde Fransen en die... tja, die Duitsers.
Het klopt ook wel: een echte Belg is kritisch. Hij wordt slechts zelden euforisch, of er moet al een hele goede reden voor zijn. Hij laat zich niet te snel meeslepen en supportert steevast voor de underdog, al lijkt die goede gewoonte in het politieke landschap een beetje achterhaald te raken.
Het nadeel van deze houding is echter dat de Belg ook weinig dromen heeft. Want als die droom vervolgens nauwkeurig wordt geanalyseerd, dan stuit hij toch telkens op een onvolkomenheid of een contradictie en wordt terug overgegaan naar de orde van de dag: handen uit de mouwen, en verder werken. Doe wel en zie niet om. Bij de Belg moet je dan ook niet afkomen met al te positieve verhalen of verhalen die te veel medelijden opwekken. Bij het eerste zit er altijd een addertje onder het gras, bij het tweede ook, of "zal hij het wel zelf hebben gezocht".
Daarom is het algemene beeld van Parwais Sangari intussen al bijgesteld van "goed geïntegreerde asielzoeker met vriendin en lasdiploma" tot "onbetrouwbaar sujet zonder vrienden en familie in Afghanistan". Daarom worden mensen die ooit slachtoffer waren van een misdaad of klokkenluiders vaak eerst zelf tegen het licht gehouden, vooraleer er wordt nagegaan of wat ze zeggen misschien steek houdt en of de verantwoordelijke niet moet worden aangepakt.
Daarom wordt heden ten dage een foto van een vrijend koppel temidden van rellen verspreid als het toppunt van romantiek, maar blijkt 's anderendaags dat de jongen het meisje gewoon rechthielp.
Daarom staat er hier nog altijd geen kraantjeswater op tafel in restaurants, want goedkoop en gezond, dat kan toch niet?
Ach, ik heb het er al eens over gehad.
En ja, dat heet voor een deel onderzoeksjournalistiek, waar ik allerminst tegen ben (omdat ze ook goednieuwsshows van pakweg Electrabel snel ontmaskeren), maar soms worden de oorspronkelijke boodschap zodanig ingesneeuwd, dat alle goeds verloren gaat (de spreekwoordelijke kinderen en hun respectievelijke badwaters). Soms heet het ook gewoon goed lobbywerk...
Vreemd genoeg lijken net de zaken die deze wereld echt beter kunnen maken, het snelst het onderwerp van een kritische blik. Neem nu het concept "biovoeding". Wie zich daar niet echt iets bij kan voorstellen, dat is -als ik me niet vergis- de voeding die wordt geproduceerd zonder chemische bestrijdings-, bevorderings- of wat dan ook- middelen. En hoe minder daarvan in de natuur en in ons grondwater, hoe beter, denk ik dan hopelijk niet als enige. "Doen", zou je dan ook denken, maar voor de kritische geesten is zo een eensluidend positieve boodschap al voldoende om met de fijnste pincet en het grootste vergrootglas op zoek te gaan naar barsten in het verhaal. "Wat dan met biologische voeding die ver weg wordt geproduceerd, dat is toch niet milieuvriendelijk". Nee inderdaad, biologisch is niet hetzelfde als ecologisch. "En bio, dat ziet er toch vaak heel wat minder goed uit dan "gewoon" fruit?" Tja, die pesticiden dienden natuurlijk ergens voor. "En het is duurder!" En... zucht. En er zijn wel degelijk bemerkingen bij het bio-verhaal. Zullen we heel de wereld kunnen voeden als we enkel bio telen, bijvoorbeeld. Maar de meeste bemerkingen komen van mensen die het woord bio op zich al vies vinden, of die 20 cent extra voor een biologische komkommer te veel vinden, maar straks wel honderden euro's spenderen aan ... tja, aan brol gewoon.
Het ergste vind ik wanneer men zegt "dat er toch niet meer vitaminen inzitten" (zoals een tijd geleden in Volt) of -God beware ons- dat ze toch niet lekkerder zijn. Dat laatste zou me verbazen, maar het kan. Dat eerste is absurd: een appel blijft een appel, een peer een peer; stukken fruit met een samenstelling die niet zomaar even kan worden veranderd doordat er wordt ingegrepen in het teeltproces. Of beter: doordat er niet meer kunstmatig wordt ingegrepen, doordat bepaalde hulpmiddelen niet meer worden gebruikt. Het is eigenlijk hetzelfde als aannemen dat een auto die zonder behulp van mechanische hulpmiddelen in elkaar is gezet beter, mooier, steviger, sneller zou zijn dan een auto die van een assemblageband met enkel perfect afgestelde robots komt. Dat is niet alleen onmogelijk, dat is praktisch zo goed als onhaalbaar.
Van bio wordt aangenomen dat het een simpel stuk voeding omtovert in een wereldverbeterend, alle ziektes bestrijdend object. Terwijl het gewoon gaat om giftige stoffen die niet worden gebruikt, die niet in onze omgeving en onze lichamen terechtkomt. Dat is de USP, waarom kan dat niet voldoende zijn?
woensdag 18 juli 2012
donderdag 14 juni 2012
Eindstation Brussel-Zuid
Brussel is onze nationale hoofdstad, daarmee vertel ik u (hopelijk) niets nieuws. Ha, Brussel! Bruisende stad van het Atomium, Manneken Pis, koning Albert, wafels en... goh, daar stopt het wel zo ongeveer, de associaties die we ermee maken. Stad vol kleur, met leuke straten en toffe pleintjes, en hier en daar een gezellig restaurant en zelfs nog wat bruine kroegen. Tegenwoordig zelfs stad waar auto's even plaats moeten maken voor picknicks. Maar ook stad van rondslingerende kalasjnikovs, stenengooiers, messentrekkers, doorzakkende rioleringen en hoge werkloosheid. En ja, sommigen spreken over Brussel als over een "bodemloze financiële put" of een term waarvoor ik door het CGKR kan worden aangeklaagd, dus dat zullen we toch maar even niet doen.
Wie het genoegen heeft om onze hoofdstad al eens per trein te doorkruisen via de welbekende noordzuid-as, weet dat er langs dat traject geen Manneken Pissen, atomia of koninklijke paleizen staan, verre van. Wel staan hoge, onpersoonlijke glazen torens naast vervallen betonnen blokken, in een soort van wedstrijd "om ter lelijkst". Tegen elkaar aan leunende krotten houden elkaar recht. Het justitiepaleis is nooit ver weg; letterlijk, voor sommigen ook figuurlijk. Geen Japanners met fototoestellen hier, geen kraampjes met wafels of "french fries", en of de koning of de politici hier al ooit geweest zijn, blijft nog maar de vraag. Het is zoals je elders in Vlaanderen de trein neemt: dan pas zie je de verwaarloosde tuinen, de eindeloos opeengestapelde koterijen, kippen- en duivenhokken van golfplaten en de scheve omheiningen.
In Brussel zijn het eigenlijk ook koterijen die op en tegen elkaar aan gestapeld zijn. Maar daar zijn ze niet als huisvesting bedoeld voor kippen, duiven of wat dan ook, maar voor mensen. Als je eenmaal Brussel Centraal en het ondergrondse gedeelte van de as hebt verlaten, rijdt je door een stadsgedeelte waarvoor "achterbuurt" bijna een compliment is. De enorme bouwvalligheid, de overduidelijke onbewoonbaarheid doet pijn aan de ogen. Maar dat deze stulpjes wel degelijk bewoond zijn, wellicht vaak door kroostrijke gezinnen, blijkt uit details, zoals de talrijke schotelantennes (die vaak zijn gebruikt om een wansmakelijk punt te maken, dat wil ik hier dus niet, dit is louter een constatatie).
Eens hoorde ik een vrouw op de trein, bij het aanschouwen van de armtierigheid van de Brusselse bebouwing, zeggen "dat die mensen waarschijnlijk niet beter wisten". Zeker mevrouw, "die mensen" denken uiteraard dat iedereen zo leeft, opeengepakt in een koud, vochtig k(r)ot. Ooit hing er een groot bord "loft te koop" aan het raam van een studiootje waarvoor 95 % van de huidige studenten zijn neus zou ophalen. Omdat "loft" nu eenmaal beter klinkt dan "appartement". Misschien hebben ze er zelf voor gekozen, bedoelde u dat, mevrouw? Bedoelt u dan dat ze, net als u, ergens in een schone Vlaamsche provinciestad of op de buiten konden gaan wonen, in een huis in pastoriestijl, met neschonenof en nenond? Zodat ze ook elke dag een paar uur onderweg zijn? Eerlijk gezegd, ik denk niet dat deze mensen de keuze hadden.
dinsdag 5 juni 2012
Opgepast: vallende Klout-scores!
"Oh no! Your Klout Score fell -1 point". Die angstaanjagende melding verscheen op mijn pc-scherm, nadat ik een tweetal weken met vakantie was geweest. Paniek! Vrouwen en kinderen eerst! Ik liet de onuitgepakte koffers voor wat ze waren en bedacht strategieën om dat verloren punt toch maar zo snel mogelijk terug te winnen. Misschien moest ik maar eens de beste, coolste, grappigste foto's van de vakantie selecteren en die snel op Facebook smijten, onder het motto "Je bent er pas geweest als het op Facebook staat". Zo zou ik wel snel enkele "likes" verzamelen.
Klout is, voor wie het in de verste Keulens hoort donderen en stilaan begint af te haken, een website die meet hoe "influential" je bent. "Influential, m'n gat ook", was mijn eerste reactie, maar ik heet niet Pippa Middleton, noch Jennifer Lopez, dus ik loog. Invloedrijk dus. Berekend op basis van twitter-vollegers, rietwiets en feesboek-vriendjes, -comments en andere likes. En dat niet alleen, Klout berekent ook voor jou door wie jij wordt geinfluenced, en wie jij zoal zou influencen. In mijn geval familie en vrienden die ik had gesmeekt -of betaald- om me toch asjeblieft te vollegen op den twitter. Vaak zijn het ook mensen die je in je hele leven ooit één keer hebt gezien, wat ook intussen alweer een jaar of vijf geleden is en waarvan je de naam enkel nog weet omdat die daar in grote letters voor je neus staat. De doorsnee-onlinevriend, met andere woorden.
Ik was op Klout beland uit nieuwsgierigheid, omdat ik + 1 K meldingen of zoiets zag voorbijvliegen op twitter, en wel eens wilde weten wat dat eigenlijk wilde zeggen. Intussen weet ik het nog steeds niet, maar ik weet wel dat je al eens af en toe zo een K moet zien te krijgen om je Kloutscore naar respectabele hoogten op te drijven. Naast het hebben van vollegers en vriendjes, likes, comments, rietwiets dus.
U denkt misschien: het hier een beetje in het belachelijke trekken, maar er zelf toch maar mooi aan meedoen. En u heeft gelijk. Ik had dit nooit kunnen typen, mocht ik onlangs niet de blijde mare hebben ontvangen dat "my Klout Score went up!" en dat ze "had increased by +1 points". Het gaat weer een pak beter met mij dus, waarvoor dank. En ja hoor, ik heb best wel respect voor mensen die honderden of duizenden vollegers vergaren door met een aanstekelijk enthousiasme te twieten over hun interesse, die de wereld op deze manier een beetje mooier of zelfs beter willen maken, of die de ander "gewoon ne keer goe wil doen lache". Ook respect trouwens voor de mensen die geestige tweets van anderen kopiëren, als zouden ze die zelf hebben verzonnen (een copy-twat, als het ware). Respect, gewoon al omdat ze zich blijkbaar zo diep willen verlagen, voor... tja, voor wat eigenlijk?
Maar tegelijk vind ik dat er toch wel heel veel aandacht en gewicht aan al dat gekwetter op deze digitale klaagmuur". Soms zijn enkele tientallen twiets, al dan niet georkestreerd, voldoende om van een "trending topic" te spreken en de volgende dag krantenpagina's en nieuwswebsites te vullen. Wordt er al eens een "maatschappelijk debat" gevoerd, dan is dat meestal behoorlijk eenzijdig. Of zijn er alleszins heel wat bevolkingsgroepen die noodgedwongen aan de kant blijven staan, die geen tijd, goesting of computer hebben om hun gedachten bij de betreffende "hashtag" in 140 tekens te gieten.
En het lijkt mij ook dat iemand die een hoge Klout-score heeft, niet altijd gegarandeerd "goe bezig" is. Of soms toch alleen maar online. En dan heb ik het niet over die ongelikte beren (ik vond alleen zeer grove bewoordingen voor wat ik wilde uitdrukken, dus heb ik het bij deze, rechtstreeks uit Jommeke gekopieerde, term gehouden, ik vraag daarvoor enigszins begrip) die vinden dat ze in het midden van elk gesprek of elke vergadering hun elektronische BFF tevoorschijn mogen halen om er ongegeneerd op te beginnen tokkelen, maar ook over hen die wel weten wat trending is in alle hoeken van de wereld, maar niet bij hun eigen familie, vrienden of in hun eigen straat.
Mahatma Gandhi en moeder Theresa, die waren influential. Adolf Hitler ook, op zijn eigen zeer persoonlijke manier. Jij en ik misschien ooit. Maar dan zullen we toch even onze Kloutscore moeten vergeten, en de neus even buiten steken. Ik voel hier een geweldige Bond zonder naam-slogan ontstaan, maar voorlopig komt hij niet. Als het zover is, zal ik hem in 140 tekens op den twitter zetten. Maar wel rietwieten dan, ok?
Klout is, voor wie het in de verste Keulens hoort donderen en stilaan begint af te haken, een website die meet hoe "influential" je bent. "Influential, m'n gat ook", was mijn eerste reactie, maar ik heet niet Pippa Middleton, noch Jennifer Lopez, dus ik loog. Invloedrijk dus. Berekend op basis van twitter-vollegers, rietwiets en feesboek-vriendjes, -comments en andere likes. En dat niet alleen, Klout berekent ook voor jou door wie jij wordt geinfluenced, en wie jij zoal zou influencen. In mijn geval familie en vrienden die ik had gesmeekt -of betaald- om me toch asjeblieft te vollegen op den twitter. Vaak zijn het ook mensen die je in je hele leven ooit één keer hebt gezien, wat ook intussen alweer een jaar of vijf geleden is en waarvan je de naam enkel nog weet omdat die daar in grote letters voor je neus staat. De doorsnee-onlinevriend, met andere woorden.
Ik was op Klout beland uit nieuwsgierigheid, omdat ik + 1 K meldingen of zoiets zag voorbijvliegen op twitter, en wel eens wilde weten wat dat eigenlijk wilde zeggen. Intussen weet ik het nog steeds niet, maar ik weet wel dat je al eens af en toe zo een K moet zien te krijgen om je Kloutscore naar respectabele hoogten op te drijven. Naast het hebben van vollegers en vriendjes, likes, comments, rietwiets dus.
U denkt misschien: het hier een beetje in het belachelijke trekken, maar er zelf toch maar mooi aan meedoen. En u heeft gelijk. Ik had dit nooit kunnen typen, mocht ik onlangs niet de blijde mare hebben ontvangen dat "my Klout Score went up!" en dat ze "had increased by +1 points". Het gaat weer een pak beter met mij dus, waarvoor dank. En ja hoor, ik heb best wel respect voor mensen die honderden of duizenden vollegers vergaren door met een aanstekelijk enthousiasme te twieten over hun interesse, die de wereld op deze manier een beetje mooier of zelfs beter willen maken, of die de ander "gewoon ne keer goe wil doen lache". Ook respect trouwens voor de mensen die geestige tweets van anderen kopiëren, als zouden ze die zelf hebben verzonnen (een copy-twat, als het ware). Respect, gewoon al omdat ze zich blijkbaar zo diep willen verlagen, voor... tja, voor wat eigenlijk?
Maar tegelijk vind ik dat er toch wel heel veel aandacht en gewicht aan al dat gekwetter op deze digitale klaagmuur". Soms zijn enkele tientallen twiets, al dan niet georkestreerd, voldoende om van een "trending topic" te spreken en de volgende dag krantenpagina's en nieuwswebsites te vullen. Wordt er al eens een "maatschappelijk debat" gevoerd, dan is dat meestal behoorlijk eenzijdig. Of zijn er alleszins heel wat bevolkingsgroepen die noodgedwongen aan de kant blijven staan, die geen tijd, goesting of computer hebben om hun gedachten bij de betreffende "hashtag" in 140 tekens te gieten.
En het lijkt mij ook dat iemand die een hoge Klout-score heeft, niet altijd gegarandeerd "goe bezig" is. Of soms toch alleen maar online. En dan heb ik het niet over die ongelikte beren (ik vond alleen zeer grove bewoordingen voor wat ik wilde uitdrukken, dus heb ik het bij deze, rechtstreeks uit Jommeke gekopieerde, term gehouden, ik vraag daarvoor enigszins begrip) die vinden dat ze in het midden van elk gesprek of elke vergadering hun elektronische BFF tevoorschijn mogen halen om er ongegeneerd op te beginnen tokkelen, maar ook over hen die wel weten wat trending is in alle hoeken van de wereld, maar niet bij hun eigen familie, vrienden of in hun eigen straat.
Mahatma Gandhi en moeder Theresa, die waren influential. Adolf Hitler ook, op zijn eigen zeer persoonlijke manier. Jij en ik misschien ooit. Maar dan zullen we toch even onze Kloutscore moeten vergeten, en de neus even buiten steken. Ik voel hier een geweldige Bond zonder naam-slogan ontstaan, maar voorlopig komt hij niet. Als het zover is, zal ik hem in 140 tekens op den twitter zetten. Maar wel rietwieten dan, ok?
dinsdag 20 maart 2012
Confessies van een communicatiewetenschapper
"Iets in de media doen", dat moet zo ongeveer de meest concrete ambitie geweest zijn, op mijn achttiende levensjaar, inmiddels een eeuwigheid en drie dagen geleden. En aangezien de kans dat ik het tot Miss België zou schoppen miniem tot onbestaande was, tenzij ik me tot de plastisch chirurg van Lesley-Ann Poppe zou wenden (en dan nog), oordeelde ik dat een studie communicatiewetenschappen de kortste weg naar die ambitie was. Tom Lenaerts had zich immers al geout als communicatiewetenschapper, en die deed toch "iets in de media".
En een hele tijd heb ik gedacht dat dat ook de juiste keuze was. Maar na ettelijke jaren begonnen er toch barsten te komen in dat geloof. Want de media, die moeten het per definitie óver iets hebben. En als jij het dan hebt over die media, sta je dan niet wat ver van de realiteit? En hoe kon deze functie precies bijdragen aan de Groei, het Bruto Nationale Product, de Grote Sprong Voorwaarts waaraan toch alles wordt afgemeten? Had ik niet beter een vak geleerd?
Ik dacht terug aan de conversaties met een oudtante of -nonkel die, nadat ze voor het vierde familiefeest op rij had gevraagd wat ik nu eigenlijk studeerde en ik daarop had geantwoord "communicatiewetenschappen", vroeg "wat ge daar dan precies mee kunt doen". En aan het feit dat ik dan steevast iets mompelde over "de gazet", om dan toch maar weer over te schakelen op "den grooten oorlog".
Maar recent draag ik de titel van master in the communication sciences weer met trots, welhaast als een geuzennaam, heb ik het diploma van onder het stof gehaald en hangt het kleinood omrand door een vergulden lijst boven mijn schouw. Omdat ik vrees dat er na verloop van tijd niet veel communicatiewetenschappers meer bij zullen komen, en dat dit ras uiteindelijk zal uitsterven.
Want het belangrijkste criterium van een opleiding vandaag de dag is de job die er later mee zal kunnen worden uitgeoefend, en of die job wel nodig zal zijn. Knelpuntberoepen worden opgelijst, en voorlopig is "communicatiewetenschapper" daar nog niet bij. En nieuwe generaties worden al van kleinsbeen af in de richting van die "echt nodige beroepen" gestimuleerd.
En daarom vrees ik dat men alles zal aangrijpen om de kinderen in juiste, de meest rendabele richting te sturen. Dat over de kleine Milan die iets te handig is met de Duplo, meteen zal worden geconcludeerd "dat het overduidelijk een ingenieur is". Dat een slecht gearticuleerd "nog honger" van Noortje verkeerdelijk wordt verstaan als "your honour" en dat er meteen wordt geknikt dat het "zeker een advocate zal zijn". Dat als Fien zich na "de grote kaka" omdraait en iets te enthousiast in haar eigen excrementiën begint te dabben, dat dan al even enthousiast wordt gekraaid "dat er een loodgietster in de familie zit!". En dat voor de kleine Jefke-Ali, als hij het speelgeld van anderen afpakt om er zelf allerlei rare fratsen mee uit te halen, met de glimlach wordt geconstateerd "dat het ongetwijfeld een beurstrader zal worden".
Nu, zeker drie van de vier bovenstaande beroepen hebben absoluut hun waarde in deze maatschappij, maar mijn vrees is dat er over een twintigtal jaren alleen nog maar ingenieurs, advocaten, economisten en beurstraders zullen zijn, mensen die iets concreets maken of toch alleszins hun diensten voor veel geld verkopen. En dat er geen plaats meer zal zijn voor beroepsgroepen die het één en ander vanuit een ander perspectief gadeslaan. Al is dit natuurlijk ook geen pleidooi voor een overtal aan Etiennen Vermeersch of Hugo Campsen, dat zou misschien van het goede te veel zijn.
Ook Guillaume Van der Stighelen gaf onlangs, met zijn oproep om allemaal aan het ondernemen te slaan, aan dat het allemaal about the economy is, stupid! Geen slecht woord over ondernemers, absoluut niet, maar daarmee wordt toch altijd bedoeld "ondernemen om je eigen kost te verdienen". Terwijl ik ook heel wat onderneem, maar daar nooit voor word betaald.
De geesten die nu pleiten voor een grotere rendabiliteit van het onderwijs, zijn doorgaans zij die erg op hun vrijheid gesteld zijn. Ik stel voor dat iedereen van die vrijheid mag genieten, ook bij de studiekeuze. Anders wordt "communicatiewetenschapper" nog écht een knelpuntberoep, en dat is misschien toch te veel eer...
En een hele tijd heb ik gedacht dat dat ook de juiste keuze was. Maar na ettelijke jaren begonnen er toch barsten te komen in dat geloof. Want de media, die moeten het per definitie óver iets hebben. En als jij het dan hebt over die media, sta je dan niet wat ver van de realiteit? En hoe kon deze functie precies bijdragen aan de Groei, het Bruto Nationale Product, de Grote Sprong Voorwaarts waaraan toch alles wordt afgemeten? Had ik niet beter een vak geleerd?
Ik dacht terug aan de conversaties met een oudtante of -nonkel die, nadat ze voor het vierde familiefeest op rij had gevraagd wat ik nu eigenlijk studeerde en ik daarop had geantwoord "communicatiewetenschappen", vroeg "wat ge daar dan precies mee kunt doen". En aan het feit dat ik dan steevast iets mompelde over "de gazet", om dan toch maar weer over te schakelen op "den grooten oorlog".
Maar recent draag ik de titel van master in the communication sciences weer met trots, welhaast als een geuzennaam, heb ik het diploma van onder het stof gehaald en hangt het kleinood omrand door een vergulden lijst boven mijn schouw. Omdat ik vrees dat er na verloop van tijd niet veel communicatiewetenschappers meer bij zullen komen, en dat dit ras uiteindelijk zal uitsterven.
Want het belangrijkste criterium van een opleiding vandaag de dag is de job die er later mee zal kunnen worden uitgeoefend, en of die job wel nodig zal zijn. Knelpuntberoepen worden opgelijst, en voorlopig is "communicatiewetenschapper" daar nog niet bij. En nieuwe generaties worden al van kleinsbeen af in de richting van die "echt nodige beroepen" gestimuleerd.
En daarom vrees ik dat men alles zal aangrijpen om de kinderen in juiste, de meest rendabele richting te sturen. Dat over de kleine Milan die iets te handig is met de Duplo, meteen zal worden geconcludeerd "dat het overduidelijk een ingenieur is". Dat een slecht gearticuleerd "nog honger" van Noortje verkeerdelijk wordt verstaan als "your honour" en dat er meteen wordt geknikt dat het "zeker een advocate zal zijn". Dat als Fien zich na "de grote kaka" omdraait en iets te enthousiast in haar eigen excrementiën begint te dabben, dat dan al even enthousiast wordt gekraaid "dat er een loodgietster in de familie zit!". En dat voor de kleine Jefke-Ali, als hij het speelgeld van anderen afpakt om er zelf allerlei rare fratsen mee uit te halen, met de glimlach wordt geconstateerd "dat het ongetwijfeld een beurstrader zal worden".
Nu, zeker drie van de vier bovenstaande beroepen hebben absoluut hun waarde in deze maatschappij, maar mijn vrees is dat er over een twintigtal jaren alleen nog maar ingenieurs, advocaten, economisten en beurstraders zullen zijn, mensen die iets concreets maken of toch alleszins hun diensten voor veel geld verkopen. En dat er geen plaats meer zal zijn voor beroepsgroepen die het één en ander vanuit een ander perspectief gadeslaan. Al is dit natuurlijk ook geen pleidooi voor een overtal aan Etiennen Vermeersch of Hugo Campsen, dat zou misschien van het goede te veel zijn.
Ook Guillaume Van der Stighelen gaf onlangs, met zijn oproep om allemaal aan het ondernemen te slaan, aan dat het allemaal about the economy is, stupid! Geen slecht woord over ondernemers, absoluut niet, maar daarmee wordt toch altijd bedoeld "ondernemen om je eigen kost te verdienen". Terwijl ik ook heel wat onderneem, maar daar nooit voor word betaald.
De geesten die nu pleiten voor een grotere rendabiliteit van het onderwijs, zijn doorgaans zij die erg op hun vrijheid gesteld zijn. Ik stel voor dat iedereen van die vrijheid mag genieten, ook bij de studiekeuze. Anders wordt "communicatiewetenschapper" nog écht een knelpuntberoep, en dat is misschien toch te veel eer...
maandag 27 februari 2012
Vrouwen weten het ook
Maandagochtend. Geen plaats in de trein, dus rechtstaan. Een vrouw op een stoeltje apart zet quasi achteloos een blikje aan haar lippen. Maar de zwarte handschoen die er omheen is getrokken, trekt de aandacht.
De laatste slok. Het blik met handschoen verdwijnt onder het klaptafeltje, alleen de handschoen komt terug naar boven. De vrouw recht de rug, klaar voor een nieuwe werkweek.
Brussel-Noord, reizigers stappen af, ik vind een plek verderop. Wanneer Brussel-Centraal nadert, komt de vrouw voorbijgelopen. Ze is ongeveer veertig, met kort blond haar en een bril. Kortom, zoals u en ik er zouden kunnen uitzien als we een vrouw van veertig waren.
Brussel-Zuid. Het vuilbakje waar de vrouw enkele minuten geleden nog zat, staat open. Ik zie een zwarte J, gevolgd door een u en een p. Duidelijk niet alleen mannen weten waarom.
Maandagochtend. Het is toch altijd weer even slikken.
De laatste slok. Het blik met handschoen verdwijnt onder het klaptafeltje, alleen de handschoen komt terug naar boven. De vrouw recht de rug, klaar voor een nieuwe werkweek.
Brussel-Noord, reizigers stappen af, ik vind een plek verderop. Wanneer Brussel-Centraal nadert, komt de vrouw voorbijgelopen. Ze is ongeveer veertig, met kort blond haar en een bril. Kortom, zoals u en ik er zouden kunnen uitzien als we een vrouw van veertig waren.
Brussel-Zuid. Het vuilbakje waar de vrouw enkele minuten geleden nog zat, staat open. Ik zie een zwarte J, gevolgd door een u en een p. Duidelijk niet alleen mannen weten waarom.
Maandagochtend. Het is toch altijd weer even slikken.
donderdag 9 februari 2012
Velden, vier rijstroken, en de kerk in het midden
De 't Hasseltkiezel in Bree, het zegt u hoogstwaarschijnlijk niets, maar (om Wim Sonneveld verder te citeren), het is waar ik (bijna) geboren ben. Als het u wel iets zegt, dan bent u een soort ontdekkingsreiziger, genre Dixie Dansercour of Michiel Hendryckx, of was u verdwaald. Of bent u in alle onwetendheid naar 't Hasselt gereden in plaats van naar Hasselt, in de veronderstelling "dat dat toch wel hetzelfde zou zijn". Maar u heeft zich de trip waarschijnlijk niet beklaagd. Of wel. Heel erg misschien.
De 't Hasseltkiezel is een gedrocht waarmee ons Vlaamse wegennet nogal ruimschoots gezegend is. Een strook asfalt van vijftien meter breed die landbouwgrond meedogenloos doorklieft, en dat voor de luttele bestuurders die van de ene nauwelijks bebouwde kom naar de andere iets meer bebouwde kom moeten, al doe ik Kim Clijsters-ville daarmee toch misschien wat oneer aan. Een reliek uit een tijdperk waarin men dacht dat daarvoor vier rijstroken nodig waren, onder het motto "the more, the merrier". Waarop uiteraard 120 kilometer per uur moest worden gereden. Opzij, opzij, opzij, maak plaats, en snel.
Voor ondergetekende was dit stuk autosnelweg van enkele kilometers in het uiterste noordoosten van Limburg in vroegere tijden het signaal dat hij bijna thuis was na een familieuitstapje. Eenmaal de eenzame kerk voorbij, die ongeveer in het midden tussen de twee kernen en helemaal in het midden tussen de velden stond, wist ik dat het thuisfront lonkte. De kerk van 't Hasselt was dat, en de kerk wás eigenlijk 't Hasselt. Want veel meer was er in geen velden of wegen te bekennen.
Ja, je had die oude, grote hoeve. En een schooltje, dacht ik. En dan de superette (met in het groot "superette"), waarvan ik me jarenlang heb afgevraagd aan wie zij hun waren nu eigenlijk sleten. Van voorbijgaand - excuseer, voorbijrazend- verkeer konden ze moeilijk leven. Ik denk dat ze intussen al wel jaren dicht is.
Als er mensen langs deze veel te brede auto-ader hadden gewoond, ze hadden al lang geprotesteerd tegen de voorbijzoevende vierwielers. Nu was het wachten -om een in populistische middens vaak gebezigde zinsnede te gebruiken- "tot er doden zouden vallen", vooraleer een bevoegde instantie ingreep.
De ongelukken waren dan ook legio. Zo werd de middenberm meer dan eens vakkundig omgeploegd door een snelheidsduivel die de controle over zijn stuur had verloren. De versmalling naar twee rijstroken op het einde, die ook enige vertraging vereiste, werd al eens verkeerd ingeschat. En de tractoren (dat zijn van die grote voertuigen die dienen om velden te bewerken) moesten zich met ware doodsverachting vanuit de zijstraatjes op de weg storten, met het risico dat de aanstormende automobilist de snelheid van de tractor zou over- en de eigen snelheid zou onderschatten. Ook ik zag er menig fietstocht minutenlang onderbroken omdat die ene auto wel nog veraf leek maar toch vervaarlijk snel dichterbij kwam.
Nu gaat de maximumsnelheid er omlaag naar 90 km/u. Nog steeds wat hoog gegrepen voor de gemiddelde tractor, en de automobilist die er zich aan houdt zal misschien wat later thuiskomen, maar zal tenminste thuiskomen. En al snel zal de vraag opduiken waarom er in godsnaam vier rijstroken nodig waren voor dit kilometerslange litteken, en zal men misschien, onder het motto "less is more", tot de conclusie komen dat het ook wat minder mag zijn.
De 't Hasseltkiezel is een gedrocht waarmee ons Vlaamse wegennet nogal ruimschoots gezegend is. Een strook asfalt van vijftien meter breed die landbouwgrond meedogenloos doorklieft, en dat voor de luttele bestuurders die van de ene nauwelijks bebouwde kom naar de andere iets meer bebouwde kom moeten, al doe ik Kim Clijsters-ville daarmee toch misschien wat oneer aan. Een reliek uit een tijdperk waarin men dacht dat daarvoor vier rijstroken nodig waren, onder het motto "the more, the merrier". Waarop uiteraard 120 kilometer per uur moest worden gereden. Opzij, opzij, opzij, maak plaats, en snel.
Voor ondergetekende was dit stuk autosnelweg van enkele kilometers in het uiterste noordoosten van Limburg in vroegere tijden het signaal dat hij bijna thuis was na een familieuitstapje. Eenmaal de eenzame kerk voorbij, die ongeveer in het midden tussen de twee kernen en helemaal in het midden tussen de velden stond, wist ik dat het thuisfront lonkte. De kerk van 't Hasselt was dat, en de kerk wás eigenlijk 't Hasselt. Want veel meer was er in geen velden of wegen te bekennen.
Ja, je had die oude, grote hoeve. En een schooltje, dacht ik. En dan de superette (met in het groot "superette"), waarvan ik me jarenlang heb afgevraagd aan wie zij hun waren nu eigenlijk sleten. Van voorbijgaand - excuseer, voorbijrazend- verkeer konden ze moeilijk leven. Ik denk dat ze intussen al wel jaren dicht is.
Als er mensen langs deze veel te brede auto-ader hadden gewoond, ze hadden al lang geprotesteerd tegen de voorbijzoevende vierwielers. Nu was het wachten -om een in populistische middens vaak gebezigde zinsnede te gebruiken- "tot er doden zouden vallen", vooraleer een bevoegde instantie ingreep.
De ongelukken waren dan ook legio. Zo werd de middenberm meer dan eens vakkundig omgeploegd door een snelheidsduivel die de controle over zijn stuur had verloren. De versmalling naar twee rijstroken op het einde, die ook enige vertraging vereiste, werd al eens verkeerd ingeschat. En de tractoren (dat zijn van die grote voertuigen die dienen om velden te bewerken) moesten zich met ware doodsverachting vanuit de zijstraatjes op de weg storten, met het risico dat de aanstormende automobilist de snelheid van de tractor zou over- en de eigen snelheid zou onderschatten. Ook ik zag er menig fietstocht minutenlang onderbroken omdat die ene auto wel nog veraf leek maar toch vervaarlijk snel dichterbij kwam.
Nu gaat de maximumsnelheid er omlaag naar 90 km/u. Nog steeds wat hoog gegrepen voor de gemiddelde tractor, en de automobilist die er zich aan houdt zal misschien wat later thuiskomen, maar zal tenminste thuiskomen. En al snel zal de vraag opduiken waarom er in godsnaam vier rijstroken nodig waren voor dit kilometerslange litteken, en zal men misschien, onder het motto "less is more", tot de conclusie komen dat het ook wat minder mag zijn.
woensdag 18 januari 2012
Generatie B
Je hebt de generatie Y, de youngsters die het in de toekomst misschien met iets minder zullen moeten doen, en je hebt de generatie die sommigen misschien de generatie S zouden noemen, de stakers, die hun oude dag bedreigd zien. Daartussen, zij het meer in de buurt van de Y, bevinden wij ons: de generatie B, van Bouwen & renoveren. De generatie die nog op plichtsbewust sparende mama's en papa's kon terugvallen en daarmee begon aan "hun droom", waar generatie Y nog (lang) niet aan denkt en die de generatie S al heeft afbetaald: Het Eigen Huis.
Wij van de generatie B ontmoeten elkaar op allerlei gelegenheden en hebben dan het "aan het bouwen of renoveren zijn" als raakpunt. "En, hoe is het met de verbouwingen?" is dikwijls het begin van een urenlange boeiende conversatie op nog maar eens een babyborrel. We wisselen ervaringen en tips uit over banken, goochelen met U-waarden en E-peilen en stemmen op elkaar af welke nu de beste raamprofielen zijn, de beste isolatie en het beste systeem voor vloerverwarming. En waar hebt gij uw tegels gekocht? De baksteen in onze maag is heilig, "Ik ga bouwen & renoveren" is onze Bijbel, Batibouw onze hoogmis.
We vinden elkaar op de trein. Na een veel te korte nachtrust omdat we gisteravond nog uren hebben staan te schuren, te pleisteren of elektriciteit hebben gelegd. Of we bellen op weg naar het werk nog snel naar de aannemer om af te spreken wat hij vandaag gaat doen. Of om hem onder z'n voeten te geven voor wat hij gisteren niét heeft gedaan. "Als ik alleen maar aan die werken denk, moet ik toch altijd zo, zo diep zuchten", verwoordde een medereizigster onlangs de gemoedstoestand van ongeveer driekwart van de treinbevolking.
Ook online socialenetwerken we er op los, als generatie B. "Voila, kelderverdieping staat al", "chape is geëgaliseerd" of "muurke is gemetseld" posten we met de regelmaat van de klok -met foto- over de vooruitgang van onze woonst, die we dan in een onbewaakt moment wel eens "ons nestje" durven te noemen.
Maar de generatie B heeft onlangs een zware klap moeten verwerken. Federale besparingsacties kelderden de energiepremies, en veroorzaakten nogal wat slapeloze nachten en herberekeningen van minutieus opgestelde vijfjarenplannen. Al gingen we vrijwel kritiekloos mee in die besparingen. Protesteren doen we niet, dat laten we over aan de generatie Y, of aan de generatie S. Trouwens, wij hebben geen tijd, we zitten met den bouw, remember?! En met onze gezamenlijke meer dan 3000 euro in de maand, kunnen we die driedubbele beglazing uiteindelijk ook zelf financieren. Al weten we niet of onze generatiegenoten, met minder plichtsbewuste of minder gegoede ouders en met minder eigen kansen er ook al bij al zo gemakkelijk geraken. Of blijven zij -om in bouwtermen te blijven- geïsoleerd achter, in een ongeïsoleerd huurhuis?
En we zijn kwaad op de generatie S omdat wij met die besparingen wél onze duit in het zakje doen, en zij dat niet willen door langer te werken. Maar we vragen ons dan niet echt af of ze nog wel kúnnen werken, of ze er lichamelijk nog toe in staat zijn en of ze er de kans toe krijgen. We gaan uit van onze bureaujob, en of we die nu nog 35 of 40 jaar moeten doen, tja... Zoveel zware handenarbeid is er toch niet meer in ons land, die verdwijnt toch naar het buitenland? Behalve... oh ja, in de bouw... Misschien toch eens vragen aan die mannen daarbuiten of zij het zien zitten om een paar jaar langer spouwmuren op te trekken...
PS. Graag foto's van huizen met daarop in gietijzeren letters "Ons nestje" aangebracht, zoals huizen vroeger wel eens "Onze droom" of "Nuestra casa" heetten. Een kamerbrede poster van een willekeurige corpulente politicus met bouwvakkersreet zal uw beloning zijn!
PS2. Na het ter perse gaan brak de heisa uit over de fiscale aftrekbaarheid van het woonkrediet, met de nodige consternatie bij de generatie B tot gevolg. Komen we toch nog op straat?
Wij van de generatie B ontmoeten elkaar op allerlei gelegenheden en hebben dan het "aan het bouwen of renoveren zijn" als raakpunt. "En, hoe is het met de verbouwingen?" is dikwijls het begin van een urenlange boeiende conversatie op nog maar eens een babyborrel. We wisselen ervaringen en tips uit over banken, goochelen met U-waarden en E-peilen en stemmen op elkaar af welke nu de beste raamprofielen zijn, de beste isolatie en het beste systeem voor vloerverwarming. En waar hebt gij uw tegels gekocht? De baksteen in onze maag is heilig, "Ik ga bouwen & renoveren" is onze Bijbel, Batibouw onze hoogmis.
We vinden elkaar op de trein. Na een veel te korte nachtrust omdat we gisteravond nog uren hebben staan te schuren, te pleisteren of elektriciteit hebben gelegd. Of we bellen op weg naar het werk nog snel naar de aannemer om af te spreken wat hij vandaag gaat doen. Of om hem onder z'n voeten te geven voor wat hij gisteren niét heeft gedaan. "Als ik alleen maar aan die werken denk, moet ik toch altijd zo, zo diep zuchten", verwoordde een medereizigster onlangs de gemoedstoestand van ongeveer driekwart van de treinbevolking.
Ook online socialenetwerken we er op los, als generatie B. "Voila, kelderverdieping staat al", "chape is geëgaliseerd" of "muurke is gemetseld" posten we met de regelmaat van de klok -met foto- over de vooruitgang van onze woonst, die we dan in een onbewaakt moment wel eens "ons nestje" durven te noemen.
Maar de generatie B heeft onlangs een zware klap moeten verwerken. Federale besparingsacties kelderden de energiepremies, en veroorzaakten nogal wat slapeloze nachten en herberekeningen van minutieus opgestelde vijfjarenplannen. Al gingen we vrijwel kritiekloos mee in die besparingen. Protesteren doen we niet, dat laten we over aan de generatie Y, of aan de generatie S. Trouwens, wij hebben geen tijd, we zitten met den bouw, remember?! En met onze gezamenlijke meer dan 3000 euro in de maand, kunnen we die driedubbele beglazing uiteindelijk ook zelf financieren. Al weten we niet of onze generatiegenoten, met minder plichtsbewuste of minder gegoede ouders en met minder eigen kansen er ook al bij al zo gemakkelijk geraken. Of blijven zij -om in bouwtermen te blijven- geïsoleerd achter, in een ongeïsoleerd huurhuis?
En we zijn kwaad op de generatie S omdat wij met die besparingen wél onze duit in het zakje doen, en zij dat niet willen door langer te werken. Maar we vragen ons dan niet echt af of ze nog wel kúnnen werken, of ze er lichamelijk nog toe in staat zijn en of ze er de kans toe krijgen. We gaan uit van onze bureaujob, en of we die nu nog 35 of 40 jaar moeten doen, tja... Zoveel zware handenarbeid is er toch niet meer in ons land, die verdwijnt toch naar het buitenland? Behalve... oh ja, in de bouw... Misschien toch eens vragen aan die mannen daarbuiten of zij het zien zitten om een paar jaar langer spouwmuren op te trekken...
PS. Graag foto's van huizen met daarop in gietijzeren letters "Ons nestje" aangebracht, zoals huizen vroeger wel eens "Onze droom" of "Nuestra casa" heetten. Een kamerbrede poster van een willekeurige corpulente politicus met bouwvakkersreet zal uw beloning zijn!
PS2. Na het ter perse gaan brak de heisa uit over de fiscale aftrekbaarheid van het woonkrediet, met de nodige consternatie bij de generatie B tot gevolg. Komen we toch nog op straat?
Abonneren op:
Posts (Atom)



